Trombocytose met een andere oorzaak dan MPN (bijv. infectie, kanker).
Type vezel dat voorkomt in bindweefsel en dat men onderzoekt bij fibrose, optredend bij MF.
Roodgekleurde (door hemoglobine), kernloze bloedcellen die zuurstof kunnen vervoeren van de longen naar alle weefsels van het lichaam.
Zie reactieve trombocytose.
Verhoogd aantal erytrocyten veroorzaakt door iets anders dan een MPN (bijvoorbeeld roken, leven op grote hoogte).
Vloeistof die overblijft wanneer men bloed laat stollen, dus zonder bloedcellen en stollingseiwitten.
Spataderen in de slokdarm door verhoogde druk in de buikvaten, het bloed zoekt een “alternatieve route”.
Miltverwijdering.
Zie miltvergroting.
Onrijpe cellen die aan de basis staan van de bloedaanmaak en die in staat zijn zich tot verschillende celtypen te ontwikkelen, door eerst te delen en dan uit te rijpen. Ze zorgen voor verjonging en herstel van alle weefsels. De meest actieve stamcellen in het lichaam zijn de beenmergstamcellen die miljoenen cellen vormen per minuut.
Alle ziekteverschijnselen die enige betekenis hebben voor de herkenning van een ziekte.
Voorbijgaande (< 24 uur verdwijnende) neurologische uitvalsverschijnselen door verminderde bloedstroom / trombose. Dit in tegenstelling tot een CVA of herseninfarct met vaak blijvende schade.
Oorsuizen.
Erytrocyten (rode bloedcellen) met een afwijkende vorm die
kenmerkend is voor MF.
Verhoogde aanmaak van trombocyten (bloedplaatjes).
Kernloze bloedcellen die een essentiële rol spelen bij de bloedstolling, ook trombocyten genoemd.
Middelen die het samenklonteren van trombocyten (bloedplaatjes) verminderen.
Het slecht functioneren van trombocyten (zieke bloedplaatjes), zich uitend in verhoogde bloedingsneiging.
Gebrek aan trombocyten (bloedplaatjes).
Hormoon dat de vorming van trombocyten (bloedplaatjes) door het beenmerg reguleert. Het bind aan de TPO receptor op megakaryocyten.
De afsluiting van een bloedvat door een stolsel (trombus).