A B C D

A

  • Blauwverkleuring (cyanose) van uitstekende lichaamsdelen (acra) zoals handen, voeten, neus, oren en onderkaak door een verminderde doorbloeding of door een verlaagde zuurstofspanning in het bloed

  • Afnemen van een hoeveelheid bloed om het teveel aan rode bloedcellen te verminderen (hematocriet te verlagen).

  • Behandeling waarbij de beenmergstamcellen van de patiënt worden vervangen door stamcellen van een geschikte donor, die de aanmaak van alle bloedcellen overnemen, nadat zoveel mogelijk zieke stamcellen door chemo zijn gedood.

  • Acute Myeloïde Leukemie (zie leukemie).

  • Trombose in de slagaders, bijvoorbeeld de slagader, een hartinfarct of een herseninfarct.

  • Bloedarmoede veroorzaakt door een tekort aan rode bloedcellen, waardoor een laag hemoglobinegehalte ontstaat. Hemoglobine verspreid zuurstof door het lichaam, daarom kun je je moe voelen als je bloedarmoede hebt.

  • Verzamelterm voor mannelijke hormonen die soms bij myelofibrose worden gebruikt om een te laag hemoglobine te laten stijgen.

  • Hartkramp als gevolg van zuurstoftekort in de hartspier, gekenmerkt door aanvallen van benauwdheid en pijn op de borst met vaak uitstraling naar linkerarm of beide armen, keel, onderkaak en/of rug.

B

  • Sponsachtige, rode substantie die zich in het binnenste van beenderen bevindt, met name in bekken, borstbeen, ribben en ruggenwervels. Plaats waar bloedcellen worden aangemaakt.

  • Afname van bot met beenmerg uit het bekken (de bekkenkam is de rand van het bekken) met een holle naald voor microscopisch onderzoek van een weefselmonster.

  • Opzuigen van vloeibaar beenmerg uit de bekkenkam of uit het borstbeen voor onderzoek.

  • Herseninfarct of hersenbloeding.

  • Cellen die zich in het bloed bevinden, namelijk trombocyten (bloedplaatjes), erytrocyten (rode bloedcellen) en leukocyten (witte bloedcellen).

  • Kernloze bloedcellen die een essentiële rol spelen bij de bloedstolling, ook trombocyten genoemd.

  • Zie beenmergbiopsie.

  • Vernauwing van de afvoerende bloedvaten van de lever door trombose.

C

  • Het gen dat de informatie bevat voor het maken van het calreticuline-receptor eiwit; bij een deel van de MPN-patiënten is er een mutatie in dit gen.

  • Factoren die het risico op hart- en vaatziekten vergroten,

    zoals aderverkalking, diabetes, hoog cholesterol, hoge bloedruk, overgewicht.

  • Zijn middelen die de deling van cellen remmen, en zo de

    beenmergaanmaak van bloedcellen kan verminderen (bij verhoogde aanmaak).

  • Herseninfarct of hersenbloeding.

  • Drager van erfelijke informatie.

  • Vorm van leukemie gekenmerkt door een verhoogde aanmaak van met name witte bloedcellen en bloedplaatjes door aanwezigheid van het afwijkende BCR-ABL gen.

  • Etalagebenen; pijn in de benen veroorzaakt door zuurstoftekort bij inspanning door een vernauwing of afsluiting van een beenslagader.

  • Chemische varianten van het lichaamseigen bijnierschorshormoon, die als geneesmiddel ontstekingsreacties kunnen onderdrukken, zoals prednison.

  • Blauwverkleuring

  • Analyse van de chromosomen om grove genetische afwijkingen vast te stellen zoals afwijkende chromosoomaantallen of chromosoombreuken.

  • Signaalstoffen, die worden uitgescheiden door cellen voor communicatie tussen lichaamscellen, onder andere door bloedcellen. Zij spelen een rol in het immuunsysteem.

  • Behandeling met celgroeiremmende middelen.

D

  • Bouwstenen die in elke celkern aanwezig zijn en de genetische informatie hebben.